Uitspraak
17.8196 WIA
OVERWEGINGEN
,had dit volgens appellant moeten worden gecompenseerd door het toepassen van een reductiefactor.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met lichamelijke klachten en werd door het UWV afgewezen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De arbeidsdeskundige stelde vast dat appellant niet geschikt was voor zijn laatst verrichte werk en selecteerde functies om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen.
Het geschil betrof de uitleg van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit beleidsregels uurloonschatting 2008, waarbij appellant betoogde dat de urenomvang per SBC-code onredelijk werd gesteld op de grootste urenomvang binnen die code, terwijl de maatmanfunctie minder arbeidsplaatsen had.
De Raad oordeelde dat het beleid niet in strijd is met het Schattingsbesluit en dat het voldoende is dat ten minste één arbeidsplaats voldoet aan de minimale urenomvang. Omdat bij appellant sprake was van twee arbeidsplaatsen met een omvang van 38,01 uur per week, was het toepassen van een reductiefactor niet nodig. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.