ECLI:NL:CRVB:2020:2215
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering nabestaandenuitkering na postmortale inseminatie niet onrechtmatig
Appellante, weduwe van haar in 2010 overleden echtgenoot, kreeg via postmortale inseminatie een zoon in 2013. Zij vroeg een nabestaandenuitkering aan op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), maar deze werd geweigerd omdat haar kind niet voor of op de dag van overlijden was geboren en zij op dat moment niet zwanger was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er geen ongerechtvaardigd onderscheid was tussen kinderen geboren voor of op het moment van overlijden en kinderen verwekt na overlijden via postmortale inseminatie. Appellante stelde in hoger beroep dat dit onderscheid discriminerend is en in strijd met het EVRM en andere verdragsartikelen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de Anw een risicoverzekering is die uitgaat van de situatie op het moment van overlijden. Omdat appellante toen nog geen zorgplicht had voor een kind, is haar situatie wezenlijk anders dan die van nabestaanden met een kind geboren voor overlijden. Er is dus geen sprake van ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen.
Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro (recht op gezinsleven) faalt, omdat een socialezekerheidsuitkering geen recht garandeert en geen inmenging in het gezinsleven is vastgesteld. De Raad benadrukt dat de rechter niet mag afwijken van de door de wetgever gemaakte belangenafweging, ook niet vanwege de bijzondere situatie van postmortale inseminatie.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de nabestaandenuitkering aan appellante wegens het ontbreken van een kind geboren of verwekt voor overlijden.