ECLI:NL:CRVB:2020:2238
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onvoldoende financiële inzage en oplegging boete
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd geconfronteerd met besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Enschede tot intrekking, herziening en terugvordering van bijstand over diverse periodes, alsmede een boete wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De Raad stelde vast dat appellante onvoldoende inzage gaf in haar financiële situatie, met name door het niet melden van bijschrijvingen en kasstortingen op haar bankrekening. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of zij recht had op bijstand, wat rechtvaardigt dat het college de bijstand intrekt en terugvordert. De boete werd opgelegd vanwege deze schending en werd verminderd rekening houdend met draagkracht.
Appellante voerde aan dat haar psychische gesteldheid onvoldoende werd meegewogen en dat het college schattenderwijs had moeten vaststellen of zij recht had op bijstand. De Raad verwierp deze gronden, omdat appellante geen objectieve en verifieerbare stukken over haar inkomsten had overgelegd en haar situatie niet wezenlijk was veranderd.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank dat het college terecht de bijstand introk en terugvorderde over de betreffende periodes en de boete oplegde. Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking, herziening, terugvordering van bijstand en de opgelegde boete wegens schending van de inlichtingenverplichting.