Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:2286

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 september 2020
Publicatiedatum
25 september 2020
Zaaknummer
19/5084 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant was tot mei 2016 werkzaam als apparatenbouwer en meldde zich in juli 2016 ziek met psychische klachten en energetische beperkingen. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen.

Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, waarbij aanvullende medische rapporten werden overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde een herziende Functionele Mogelijkhedenlijst op, maar het UWV handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat appellant geen medische onderbouwing had geleverd voor aanvullende beperkingen.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en voerde aan dat sprake was van een schending van het equality of arms-beginsel, hetgeen de Raad verwierp. De Raad bevestigde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunt te onderbouwen. Omdat appellant geen nieuwe medische gegevens overlegde, zag de Raad geen reden om het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te betwijfelen.

De Raad wees het verzoek om inschakeling van een onafhankelijke deskundige af en verklaarde het hoger beroep ongegrond, waarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

19 5084 WIA

Datum uitspraak: 24 september 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 november 2019, 19/252 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.E. Fleurkens, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming verleend voor afdoening buiten zitting. Hierna is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was tot 1 mei 2016 werkzaam als apparatenbouwer voor 38 uur per
week. Daarna ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 26 juli 2016 heeft appellant zich ziek gemeld met psychische klachten en energetische beperkingen.
1.2.
In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant op 5 juni 2016 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 juni 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk, heeft functies geselecteerd en heeft op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 22,69%.
1.3.
Bij besluit van 29 juni 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van
24 juli 2018 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.4.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 27 december 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 november 2018 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 december 2018 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 26 november 2018 een herziende FML opgesteld waarin aanvullende beperkingen zijn opgenomen op de items geknield of gehurkt actief en gebogen en/of getordeerd actief zijn en in de rubriek persoonlijk functioneren (werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van deze FML de drie geduide functies met de hoogste lonen verworpen en op basis van de drie resterende (en eerder voorgehouden) functies de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 29,06%.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 27 december 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv
het bezwaar tegen het besluit van 29 juni 2018 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsartsen hebben informatie van de behandelend artsen in hun beoordeling meegenomen en niet gebleken is dat zij deze informatie onjuist hebben uitgelegd. Verder heeft de arts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat er geen reden is voor een urenbeperking. De gestelde kleurenblindheid heeft appellant niet eerder bij verzekeringsgeneeskundige onderzoeken naar voren is gebracht en is niet met stukken van een oogarts onderbouwd. Het in beroep overgelegde verslag van de psychiater-psychotherapeute van 29 september 2019 leidt –gezien de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep die de psychische klachten van appellant heeft onderkend– niet tot twijfel aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in overleg met de arts bezwaar en beroep de signaleringen afdoende adequaat toegelicht. Dat appellant kleurenblind is waardoor hij de functie van productiemedewerker textiel niet zou kunnen vervullen, heeft hij niet medisch onderbouwd.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant herhaald hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd. Verder heeft hij naar voren gebracht dat de rechtbank had moeten oordelen over de vraag of sprake was van equality of arms. Daarvan was geen sprake. Gelet daarop verzoekt appellant om inschakeling van een onafhankelijke deskundige.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 24 juli 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
Wat betreft de grond dat sprake is van het ontbreken van equality of arms, wijst de Raad op zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226). Daarin heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv. Dat geeft aanleiding te oordelen over de in die uitspraak onderscheiden stappen, namelijk allereerst de beoordeling of sprake is geweest van zorgvuldige besluitvorming, vervolgens of sprake is geweest van equality of arms tussen partijen, waarna als derde stap een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit volgt.
4.4.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank op dat punt.
4.5.
Er is geen reden gebleken om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Appellant heeft voldoende ruimte gehad om daartoe medische stukken in te dienen. Appellant heeft in bezwaar een brief ingestuurd van zijn behandelend psycholoog van 10 augustus 2018 en in beroep een brief van zijn behandelend psychiater-psychotherapeut van 29 september 2019. Voor het aannemen van het ontbreken van equality of arms bestaat geen aanleiding.
4.6.
De overige aangevoerde gronden vormen een herhaling van de gronden die appellant reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak uitvoerig besproken en geoordeeld dat deze geen aanleiding geven om de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken. Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven. Nu appellant in hoger beroep geen (nieuwe) medische gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt, is er in hoger beroep geen aanleiding om aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Het verzoek om inschakeling van een deskundige dient te worden afgewezen.
4.7.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2020.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) A.M.M. Chevalier