ECLI:NL:CRVB:2020:2286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was tot mei 2016 werkzaam als apparatenbouwer en meldde zich in juli 2016 ziek met psychische klachten en energetische beperkingen. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, waarbij aanvullende medische rapporten werden overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde een herziende Functionele Mogelijkhedenlijst op, maar het UWV handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat appellant geen medische onderbouwing had geleverd voor aanvullende beperkingen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en voerde aan dat sprake was van een schending van het equality of arms-beginsel, hetgeen de Raad verwierp. De Raad bevestigde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunt te onderbouwen. Omdat appellant geen nieuwe medische gegevens overlegde, zag de Raad geen reden om het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te betwijfelen.
De Raad wees het verzoek om inschakeling van een onafhankelijke deskundige af en verklaarde het hoger beroep ongegrond, waarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.