ECLI:NL:CRVB:2020:2291
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beslissing over terugvordering WW-uitkering ondanks vermeende schending hoorplicht
Appellant was het niet eens met de terugvordering van een teveel ontvangen WW-uitkering van € 1.245,86 bruto door het UWV. De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en geoordeeld dat het beroep op schending van de hoorplicht niet slaagt, omdat de bezwaargronden summier waren en een hoorzitting geen toegevoegde waarde zou hebben gehad.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de schending van de hoorplicht niet met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro kan worden gepasseerd en dat het UWV hem juist een bedrag verschuldigd zou zijn. De Raad oordeelde dat volgens vaste rechtspraak schending van de hoorplicht kan worden gepasseerd indien de betrokkene in beroep of hoger beroep de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt mondeling toe te lichten en geen benadeling aannemelijk is.
De Raad stelde vast dat appellant deze gelegenheid had gehad en niet duidelijk had gemaakt welke belangen waren geschaad. De bezwaargronden waren bovendien summier en het bestreden besluit legde duidelijk uit waarom terugvordering plaatsvond. Het hoger beroep slaagde daarom niet.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de kosten van appellant in bezwaar tot € 525,-.
De uitspraak werd gedaan door voorzitter H.G. Rottier en griffier F.E.M. Boon op 24 september 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de kosten van appellant in bezwaar tot € 525,-.