ECLI:NL:CRVB:2020:2292
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tegemoetkoming op grond van Coulanceregeling blootstelling chroom VI bij defensie
Betrokkene, een voormalig beroepsmilitair bij de Koninklijke Marechaussee, vroeg een tegemoetkoming op grond van de Coulanceregeling vanwege leiomyosarcoom, een aandoening die niet in bijlage II van de regeling is opgenomen. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de aandoening niet in de lijst stond en onvoldoende aannemelijk was dat betrokkene langdurig was blootgesteld aan chroom VI.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een onbillijkheid van overwegende aard en kende een tegemoetkoming toe op basis van de hardheidsclausule. De rechtbank vond leiomyosarcoom vergelijkbaar met aandoeningen uit bijlage II en baseerde zich op een wetenschappelijk artikel van Deng et al. en een rapport van betrokkene's bedrijfsarts.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat de wetenschappelijke onderbouwing onvoldoende was. Het RIVM concludeerde dat er geen sterke aanwijzingen zijn voor een causaal verband tussen leiomyosarcoom en chroom VI. De Raad volgde dit standpunt en oordeelde dat de hardheidsclausule niet toegepast kon worden zonder voldoende wetenschappelijke basis.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot tegemoetkoming wordt afgewezen.