ECLI:NL:CRVB:2020:23
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens niet toegenomen beperkingen
Appellante, laatst werkzaam als orderpicker, ontving aanvankelijk een WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling beëindigde het UWV haar uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante meldde toegenomen klachten, maar het UWV weigerde een nieuwe WIA-uitkering toe te kennen op grond dat haar beperkingen niet waren toegenomen binnen vijf jaar na de eerdere beoordeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsartsen de beperkingen juist hadden vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar situatie ernstiger was dan erkend, met name vanwege veneuze malformaties, en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te dienen, waardoor het beginsel van equality of arms niet was geschonden. De inhoudelijke beoordeling van de medische situatie door de verzekeringsartsen werd bevestigd, waarbij rekening was gehouden met de veneuze malformaties. Het medisch advies van een externe arts gaf geen aanleiding tot twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid.
Gelet op deze overwegingen werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor benoeming van een onafhankelijke deskundige of toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.