Uitspraak
13 september 2019, 19/341 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig secretaresse, vroeg een WIA-uitkering aan na beëindiging van haar dienstverband wegens ziekte. Het Uwv stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij in hoger beroep stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat er sprake was van schending van het equality of arms-beginsel. Ook voerde zij aan dat de arbeidsdeskundige onvoldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, ook zonder aanvullende informatie van behandelaars. Er was geen sprake van ongelijke procespositie en de medische conclusies waren juist, waarbij zowel lichamelijke als psychische beperkingen adequaat waren betrokken. De functies bleken passend en de mate van arbeidsongeschiktheid bleef onder de 35%. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.