Appellant ontving sinds december 2010 bijstand en diende op 5 maart 2018 een nieuwe aanvraag in. Het college weigerde deze aanvraag bij besluit van 16 april 2018 en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 22 maart 2019. Appellant stelde dat het college onvoldoende onderzoek had verricht naar zijn financiële situatie, waaronder de beheersovereenkomst van zijn woning, bankafschriften van zijn moeder en energiekosten.
De Raad oordeelde dat het college ten onrechte niet nader had onderzocht wat de beheersovereenkomst inhield en geen navraag had gedaan bij energieleverancier Eneco, terwijl dit wettelijk mogelijk was. Daarnaast had appellant tot 22 maart 2018 feitelijk beschikking over de bankrekening van zijn moeder, maar had het college onvoldoende rekening gehouden met de mogelijkheid dat appellant niet over de afschriften kon beschikken.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit niet zorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, waardoor het beroep gegrond is. De Raad vernietigde het besluit van 22 maart 2019, herroept het besluit van 16 april 2018 en bepaalt dat appellant vanaf 22 maart 2018 bijstand wordt toegekend. Het college wordt tevens verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden.