ECLI:NL:CRVB:2020:2352
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid onder 35% door UWV
Appellant was werkzaam als eerste machinevoerder en meldde zich in 2011 ziek met psychische klachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na diverse beoordelingen en bezwaarprocedures werd de arbeidsongeschiktheid per 30 mei 2017 vastgesteld op minder dan 35%, hetgeen door appellant werd bestreden.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens een onvolledige arbeidskundige beoordeling, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn medische situatie was verslechterd en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onjuist waren vastgesteld, onder meer vanwege persoonlijkheidsstoornissen en onjuiste functie-indelingen.
De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen van het UWV juist en voldoende gemotiveerd waren, dat de beperkingen in de gewijzigde FML terecht waren vastgesteld en dat de functie-eisen en risico-inschattingen correct waren toegepast. De schending van het motiveringsbeginsel werd gepasseerd omdat dit geen nadelige gevolgen had. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Tot slot werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt, wordt bevestigd.