Appellante was sinds april 2014 ziek gemeld met polsklachten en ontving vanaf april 2016 een WGA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordelingen in 2018 stelde het UWV vast dat zij slechts 21,35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 31 augustus 2018. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de arbeidsdeskundige voldoende functies had geselecteerd die bij haar belastbaarheid pasten.
In hoger beroep stelde appellante dat zij wel degelijk medische bezwaren had ingebracht tijdens bezwaar en dat een verzekeringsarts haar had moeten onderzoeken. Ook betwistte zij de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en de geschiktheid van de geselecteerde functies. De Raad oordeelde dat het UWV onzorgvuldig was in de bezwaarprocedure door de medische bezwaren niet aan een verzekeringsarts voor te leggen, maar dat dit gebrek in de beroepsfase was hersteld door een nieuwe medische beoordeling.
De Raad onderschreef de medische beoordeling en de arbeidskundige selectie van functies, oordeelde dat appellante onvoldoende medische onderbouwing had geleverd voor haar stellingen over beperkingen, en bevestigde het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.