ECLI:NL:CRVB:2020:2374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering en beoordeling arbeidsgeschiktheid verkoopster
Appellante, werkzaam als verkoopster in een kousenwinkel, kreeg een Ziektewetuitkering toegekend na ziekmelding per 1 september 2015. Het UWV beëindigde deze uitkering per 8 juli 2016, omdat appellante geschikt werd geacht voor haar eigen werk en voor functies geselecteerd in het kader van de WIA-beoordeling. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar CVS/ME-klachten onvoldoende werden erkend en dat zij niet geschikt was voor haar werk vanwege fysieke en psychische beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig werd bevonden. In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld en dat haar klachten onvoldoende waren meegewogen, onderbouwd met medische rapporten van cardiologen en een re-integratiecoach.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellante, waaronder CVS-klachten, voldoende hadden meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst. De medische rapporten van cardiologen boden geen aanleiding tot een ander oordeel. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel wegens vermeende toezeggingen door een verzekeringsarts werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.