ECLI:NL:CRVB:2020:2382
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering en geschiktheid voor geselecteerde functies bevestigd
Appellant was ziekgemeld met beenklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde na onderzoek vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen met geselecteerde functies, waarop de uitkering werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar de rechtbank verklaarde deze ongegrond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen zwaarder waren dan vastgesteld en dat hij de geselecteerde functies niet kon verrichten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die aanleiding gaven het medisch oordeel van het UWV te betwijfelen. De Raad bevestigde dat appellant geschikt is voor de geselecteerde functies en dat de beëindiging van de Ziektewetuitkering terecht was.
De Raad volgde de rechtbank in haar oordeel dat appellant per 29 mei 2017 geen recht had op ziekengeld, omdat hij geschikt werd geacht voor de EZWb-functies. Er werd geen aanleiding gezien om af te wijken van de bestaande rechtspraak omtrent de beoordeling van belastbaarheid en geschiktheid voor arbeid. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering is terecht beëindigd en appellant is geschikt voor de geselecteerde functies.