ECLI:NL:CRVB:2020:2444
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellant had in 2011 een AOW-pensioen aangevraagd op basis van een ongehuwde status en alleenwonend. Na een melding in 2017 dat een nicht op het uitkeringsadres woonde, startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek. Dit leidde tot een herzieningsbesluit dat appellant vanaf 2012 een gehuwdenpensioen zou ontvangen, omdat sprake was van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.
Appellant voerde aan dat er slechts sprake was van een zakelijke huurrelatie en gescheiden huishoudens, maar het onderzoek toonde financiële verstrengeling en zorg voor elkaar aan, zoals gedeelde kosten, gebruik van elkaars auto en gezamenlijke aankopen. De rechtbank oordeelde dat de Svb terecht had gehandeld en verklaarde het beroep ongegrond.
Daarnaast vorderde de Svb terugbetaling van het te veel betaalde pensioen over 2012-2017. Appellant stelde dat zijn leeftijd, gezondheid en inkomen dringende redenen vormden om van terugvordering af te zien. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen zou hebben.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraken, handhaaft de herziening en terugvordering en wijst het beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding en wijst het hoger beroep af.