ECLI:NL:CRVB:2020:2460
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellant, voormalig nachtkoerier, ontving sinds 2017 een Ziektewet-uitkering wegens psychische klachten. Na een eerstejaars beoordeling oordeelde een verzekeringsarts dat appellant belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige stelde vast dat appellant niet zijn eigen werk kon verrichten, maar geschikt was voor andere functies waarmee hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Op basis hiervan beëindigde het Uwv de uitkering per 10 april 2018.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn beperkingen niet volledig waren erkend, met name ontbrak een urenbeperking en de geselecteerde functies zouden medisch ongeschikt zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep nam aanvullende beperkingen mee, maar handhaafde de geschiktheid voor passende functies. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat geen twijfel bestond over de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten zonder nieuwe medische onderbouwing. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en juist was uitgevoerd. De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies medisch passend zijn en dat de uitkering terecht is beëindigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewet-uitkering van appellant terecht is beëindigd per 10 april 2018.