ECLI:NL:CRVB:2020:2487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellant, voormalig witgoedmonteur, kreeg een WGA-uitkering toegekend na ziekte door de ziekte van Crohn. Na afloop van de loongerelateerde periode stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 38,41% op basis van een geactualiseerde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en medisch onderzoek.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was, dat de rechtbank geen onafhankelijk deskundige had benoemd en dat zijn cognitieve beperkingen onvoldoende waren meegenomen. Hij overwoog dat het beginsel van equality of arms was geschonden.
De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en goed gemotiveerd was. De medische gegevens, inclusief aanvullingen van een arts in opleiding en een verzekeringsarts, toonden geen wijziging in de medische situatie. De FML hield voldoende rekening met de klachten en beperkingen van appellant.
Ook was er geen sprake van een oneerlijke procespositie; appellant had voldoende gelegenheid medische stukken in te dienen en er ontbrak geen relevante informatie. De Raad verwierp het beroep op het arrest Korošec en vond geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijk deskundige.
De Raad bevestigde dat appellant geschikt was voor de geselecteerde functies en dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid correct was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid van 38,41% bevestigd.