ECLI:NL:CRVB:2020:2494
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting inkomensondersteuning AOW wegens niet-verzekering
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de korting op zijn inkomensondersteuning AOW, omdat hij meent dat hij ten onrechte als niet verzekerd is aangemerkt voor de AOW in de periode van 1963 tot 1970. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) paste een korting toe van 10%, overeenkomstig het aantal jaren waarin appellant geen AOW heeft opgebouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de gewijzigde regelgeving en de korting niet in strijd zijn met het recht. Appellant kreeg zes maanden voorbereidingstijd op de nieuwe situatie. De Raad bevestigt dat op grond van artikel 33a, tweede lid, van de AOW dezelfde korting op de inkomensondersteuning geldt als op het ouderdomspensioen.
Appellants verzoek tot nader onderzoek naar de verzekeringsperiode wordt afgewezen, omdat in rechte vaststaat dat hij gedurende vijf jaar niet verzekerd was. De Raad concludeert dat het hoger beroep faalt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de korting op de inkomensondersteuning AOW bevestigd.