ECLI:NL:CRVB:2020:2571
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft sinds 1994 een WAO-uitkering op grond van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. In 2015 is deze omgezet in een vervolguitkering. Appellant verzocht in 2016 om herziening van zijn uitkering met het argument dat zijn arbeidsongeschiktheid al in maart 1992 was begonnen, waardoor hij onder het oudere regime van de WAO zou vallen en aanspraak zou maken op een uitkering gebaseerd op zijn laatstverdiende salaris.
Het UWV heeft dit verzoek afgewezen omdat uit het dossier bleek dat appellant tussen maart en september 1992 ziek was, maar daarna hersteld werd verklaard. Het arbeidskundig rapport uit 1994 vermeldde geen arbeidsongeschiktheid per januari 1993. Appellant heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die het eerdere besluit kennelijk onjuist maken.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant de eerdere besluiten had ontvangen en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die het verzoek konden ondersteunen. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel en stelt dat het UWV terecht het verzoek heeft afgewezen op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb. Ook is het besluit niet evident onredelijk. De Raad volgt de rechtbank in haar beoordeling en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek tot terugkomen op de eerdere WAO-besluiten wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.