ECLI:NL:CRVB:2020:2574
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing WAO-uitkering wegens fictieve indeling in arbeidsongeschiktheidsklasse 0-15%
Appellant ontvangt een WAO-uitkering en is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%, met daarnaast inkomsten uit arbeid. Het UWV heeft de WAO-uitkering definitief berekend op basis van gegevens van de Belastingdienst en vastgesteld dat appellant in december 2016 een SV-loon van €4.192,75 had, waardoor hij fictief in de klasse 0-15% valt en geen recht op uitkering heeft.
Appellant betwistte dit en stelde dat een deel van het salaris een eindejaarsuitkering betrof die over meerdere maanden was opgebouwd en dus niet volledig aan december 2016 toegerekend mocht worden. Hij verwees naar de Regeling samenloop en eerdere jurisprudentie om aan te tonen dat deze betaling als extra periodiek salaris moest worden beschouwd.
De Raad oordeelt dat het UWV in beginsel mag uitgaan van de polisadministratie en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrag een opbouwkarakter heeft. Zonder een verklaring van de werkgever of bewijs dat de betaling over een tijdvak is opgebouwd, kan het bedrag niet als extra periodiek salaris worden aangemerkt. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht het salaris van december 2016 volledig toegerekend, waardoor geen recht op WAO-uitkering bestaat.