ECLI:NL:CRVB:2020:2576
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting op WW-uitkering wegens verwijtbaar zelf ontslag nemen zonder reële bezwaren
Appellante ontving sinds februari 2016 een WW-uitkering en is in september 2017 begonnen met werken bij een werkgever met een tijdelijk contract tot eind januari 2018. Na een functioneringsgesprek in december 2017 nam zij zelf ontslag door een ontslagbrief te overhandigen, waarna de werkgever instemde met onmiddellijke beëindiging.
Het Uwv legde een korting van €1.241,12 op de WW-uitkering over januari 2018 op wegens verwijtbare werkloosheid, omdat appellante zelf ontslag had genomen zonder dat er sprake was van acute noodzaak of onoplosbare bezwaren tegen voortzetting van de dienstbetrekking. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat geen sprake was van psychische nood die ontslag als enige uitweg rechtvaardigde.
In hoger beroep stelde appellante dat het ontslaginitiatief van de werkgever uitging en dat haar psychische kwetsbaarheid en de houding van de werkgever het verwijt moesten verminderen. De Raad verwierp deze stellingen, bevestigde dat appellante ondubbelzinnig zelf ontslag nam en dat er geen reële bezwaren waren tegen voortzetting. De korting werd terecht beperkt tot de maand januari 2018 conform beleidsregels.
De Raad wees het verzoek om schadevergoeding af en bevestigde de eerdere uitspraak. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De korting op de WW-uitkering wegens verwijtbaar zelf ontslag nemen zonder gegronde redenen wordt bevestigd.