Verzoekster, woonachtig in Marokko, deed een aanvraag voor een nabestaandenuitkering na het overlijden van haar echtgenoot, die binnen een jaar na het huwelijk overleed. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de uitkering af vanwege onvoldoende medewerking van verzoekster aan het onderzoek en het ontbreken van bewijs dat het overlijden niet te verwachten was binnen een jaar na het huwelijk.
Tijdens de bezwaarprocedure werd vastgesteld dat het overlijden niet te verwachten was en werd een medisch onderzoek via het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in gang gezet om de mate van arbeidsongeschiktheid van verzoekster te bepalen. Dit onderzoek vond plaats in Marokko en was ten tijde van het bestreden besluit nog niet afgerond.
De rechtbank wees het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat de Svb afhankelijk is van het Uwv en het medisch onderzoek nog niet was afgerond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, oordeelde dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet was geschonden en dat van de Svb niet kan worden verlangd een toekennende beslissing te nemen zonder dat is vastgesteld dat aan de voorwaarden voor de uitkering is voldaan.
Verzoekster had aangevoerd dat het besluit enkel was genomen om een dwangsom te voorkomen en dat alternatieven voor een snellere medische keuring hadden moeten worden onderzocht, maar dit werd verworpen. De Raad wees ook het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat geen sprake was van onverwijlde spoed.
De uitspraak bevestigt dat de procedurele en materiële voorwaarden voor het toekennen van een nabestaandenuitkering strikt moeten worden nageleefd en dat medische beoordeling essentieel is voor de besluitvorming.