ECLI:NL:CRVB:2020:2613
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellant was werkzaam als eerste vakkracht bij de groenafdeling en meldde zich ziek op 18 april 2013. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen per 1 januari 2016, omdat appellant arbeidsgeschikt werd geacht voor zijn eigen werk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de belastbaarheid volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet werd overschreden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was, met name door het ontbreken van een psychiatrisch onderzoek, en dat de FML onjuist was. Ook stelde appellant dat de maatman ten onrechte was vastgesteld op eerste vakkracht bij de groenafdeling. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief beoordeling van een psychiatrisch verslag uit september 2015, en dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te dienen zonder schending van het equality of arms-beginsel.
De Raad volgde het oordeel dat de belastbaarheid in de maatmanfunctie niet werd overschreden en dat het UWV terecht de WIA-uitkering had geweigerd. De stelling dat de maatman onjuist was vastgesteld werd verworpen op basis van vaste rechtspraak. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens voldoende zorgvuldige medische beoordeling en juiste vaststelling van belastbaarheid.