Uitspraak
18.5774 ZW
OVERWEGINGEN
De overwegingen in 4.2 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig verkeersregelaar, meldde zich ziek met fysieke klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling achtte een verzekeringsarts appellant belastbaar met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst. Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant niet zijn eigen werk kon doen, maar wel geschikt was voor andere functies met een hoger loonwaarde, wat leidde tot beëindiging van de uitkering.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij zowel lichamelijke als psychische aspecten waren onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had aanvullende informatie van huisarts en psychiater betrokken en vond geen aanleiding voor een uitgebreider psychisch onderzoek.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn psychische beperkingen waren onderschat. De Raad verwierp deze gronden, benadrukte dat de verzekeringsarts niet verplicht was om aanvullende informatie op te vragen bij de behandelend sector, tenzij sprake is van afwijkende medische inzichten, en vond de beperkingen passend bij de geduide functies.
De Raad concludeerde dat er geen twijfel bestaat aan de juistheid van de medische beoordeling en dat het Uwv terecht de Ziektewetuitkering heeft beëindigd. Het verzoek tot inschakeling van een deskundige werd afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch onderzoek.