ECLI:NL:CRVB:2020:263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voorwaardelijk ontslag wegens toerekenbaar plichtsverzuim ambtenaar
Appellante was sinds 2008 werkzaam bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en bekleedde de functie van Senior project Adviseur. In maart 2015 werd zij al berispt wegens plichtsverzuim. Later beschuldigde zij een collega van het vervalsen van een e-mail, een ernstige aantijging die zij niet kon onderbouwen met technisch bewijs. De minister liet een gespecialiseerd bureau onderzoek doen, dat geen aanwijzingen vond voor vervalsing.
Appellante trok haar beschuldiging niet in ondanks de onderzoeksresultaten. De minister legde daarop een disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar op. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar mededelingen een onderbouwde mening waren en geen beschuldiging, en dat het onderzoek onvoldoende was.
De Raad oordeelde dat de mededeling wel degelijk als beschuldiging moest worden gezien en dat het niet intrekken daarvan plichtsverzuim oplevert. Het ontbreken van aanvullend onderzoek naar de mailbox van de ontvanger deed hieraan niet af. Gezien de ernst van de beschuldiging en het eerdere plichtsverzuim was de opgelegde straf niet onevenredig. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het voorwaardelijk ontslag bevestigd.