Uitspraak
19.1580 AW
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, geboren in 1953 en voormalig medewerker van de Universiteit Leiden, ontving een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering (BWU) die per 8 maart 2018 werd beëindigd vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Betrokkene vorderde compensatie voor het nadeel door de verhoging van de AOW-leeftijd en het pensioengat.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat het college verboden onderscheid naar leeftijd maakte door de uitkering te beëindigen terwijl jongere uitkeringsgerechtigden deze wel ontvingen. Het college stelde in hoger beroep dat het onderscheid objectief gerechtvaardigd was vanwege de inkomensvoorziening voor werklozen die beschikbaar zijn voor arbeid.
De Raad oordeelde dat het college inderdaad verboden onderscheid maakte. De doelstelling van het college is legitiem, maar het middel is een excessieve inbreuk op de gerechtvaardigde aanspraak van betrokkene. De compensatieregeling is onvoldoende om het onderscheid te rechtvaardigen, ook niet omdat deze tot stand kwam met instemming van CAO-partijen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, wees het hoger beroep af en bepaalde dat tegen de nieuwe beslissing op bezwaar uitsluitend beroep bij de Raad kan worden ingesteld. Tevens werd het griffierecht van het college opgelegd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat het college verboden onderscheid naar leeftijd maakt en wijst het hoger beroep af.