ECLI:NL:CRVB:2020:2670
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na beëindiging ZW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die als taxichauffeuse werkte, viel uit wegens rug- en beenklachten en ontving een Ziektewetuitkering (ZW). Het UWV beëindigde haar ZW-uitkering per 25 april 2017 omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen en weigerde een WIA-uitkering wegens het niet voltooien van de wachttijd van 104 weken.
De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat appellante niet volledig arbeidsongeschikt was, maar deze conclusie was niet gebaseerd op objectief medisch vastgestelde beperkingen. De rechtbank vond het medische onderzoek zorgvuldig en de beperkingen juist vastgesteld door verzekeringsartsen.
Appellante voerde aan dat haar klachten waren verergerd en dat het UWV haar situatie onjuist had beoordeeld, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt. De Raad onderschreef de rechtbank en het UWV in hun oordeel dat de functies waarop de belastbaarheid werd getoetst medisch geschikt waren.
De Raad bevestigde dat de ZW-uitkering terecht was beëindigd en dat de weigering van de WIA-uitkering correct was omdat de wachttijd niet was voltooid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd en de WIA-uitkering terecht is geweigerd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en niet voltooide wachttijd.