Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:2675

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 oktober 2020
Publicatiedatum
30 oktober 2020
Zaaknummer
19/595 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene Kinderbijslagwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag dubbele kinderbijslag wegens onvoldoende intensieve zorg

Appellante heeft op 9 maart 2017 een aanvraag ingediend voor dubbele kinderbijslag vanwege de intensieve zorg die haar dochter, geboren in 2003 met epilepsie, nodig zou hebben. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees deze aanvraag op 5 mei 2017 af en verklaarde het bezwaar hiertegen op 17 oktober 2017 ongegrond, mede op basis van een advies van het CIZ en het Beoordelingskader BUK 2016. De zorgscore van de dochter was vastgesteld op twee punten, terwijl minimaal drie punten vereist zijn.

De rechtbank Limburg oordeelde dat het advies van het CIZ zorgvuldig en gemotiveerd was en dat appellante onvoldoende medische onderbouwing had geleverd om het oordeel te betwisten. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en benadrukt dat het toedienen van noodmedicatie bij een epileptische aanval niet valt onder de specifieke verpleegkundige handelingen zoals bedoeld in het Beoordelingskader. Appellante voerde aan dat zij een cursus had gevolgd en een protocol had ontvangen, maar dit bood geen reden om het oordeel van de medisch adviseur van het CIZ te herzien.

Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag voor dubbele kinderbijslag is terecht afgewezen wegens onvoldoende intensieve zorgbehoefte.

Uitspraak

19.595 AKW

Datum uitspraak: 28 oktober 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 december 2018, 17/3727 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.T.H. Janssen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
De Svb heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2020. Namens appellante is mr. Janssen verschenen. Namens de Svb heeft mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen via beeldbellen deelgenomen aan de zitting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft op 9 maart 2017 bij de Svb een aanvraag voor dubbele kinderbijslag ingediend op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) vanwege de intensieve zorg voor haar dochter [naam dochter]. Bij [naam dochter], geboren [in] 2003, is epilepsie vastgesteld.
1.2.
Bij besluit van 5 mei 2017 heeft de Svb de aanvraag afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 17 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 5 mei 2017, onder verwijzing naar een advies van CIZ en het Beoordelingskader BUK 2016 (Beoordelingskader), ongegrond verklaard. De dochter van appellante heeft geen intensieve zorg nodig en daarom wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor dubbele kinderbijslag. Haar zorgscore is op de peildatum 1 januari 2017 vastgesteld op twee punten voor de items ‘alleen thuis zijn’ en ‘begeleiding buitenshuis’, terwijl gelet op haar leeftijd op die datum (dertien jaar) een minimale zorgscore van drie punten is vereist.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het advies van CIZ niet zorgvuldig tot stand is gekomen of niet concludent of anderszins onjuist is. Daarbij is van belang dat bij de beoordeling van de zorgbehoefte van [naam dochter] de medisch adviseur van CIZ dossieronderzoek heeft verricht en een medisch vragenformulier en schriftelijke medische informatie bij de beoordeling heeft betrokken. In wat appellante heeft aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de door de Svb in navolging van CIZ getrokken conclusies over de zorgscore van [naam dochter] onjuist zijn. Appellante heeft gesteld dat [naam dochter] is aangewezen op (bovengebruikelijke) intensieve zorg, maar die stelling is zonder verdere (medische) onderbouwing gebleven. De medisch adviseur van CIZ heeft op inzichtelijke wijze toegelicht waarom voor een bepaald item geen zorgscore is toegekend. De rechtbank kan zich vinden in de gemotiveerde conclusies van de medisch adviseur van CIZ, waarbij met name het aanvullend advies naar aanleiding van de informatie van de kinderneuroloog van belang is. De Svb heeft terecht de aanvraag van appellante om dubbele kinderbijslag voor [naam dochter] vanaf het eerste kwartaal van 2017 afgewezen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat ten onrechte geen punt is toegekend voor het item ‘medische verzorging’. Het toedienen van noodmedicatie in de vorm van een neusspray wanneer [naam dochter] een langere epileptische aanval heeft, moet worden aangemerkt als een specifieke verpleegkundige handeling als bedoeld in het Beoordelingskader. Deze handeling wijkt naar zijn aard niet af van de voorbeelden van specifieke verpleegkundige handelingen die in het Beoordelingskader zijn genoemd. De conclusie van de medisch adviseur van CIZ dat van dergelijke handelingen geen sprake is, is niet deugdelijk gemotiveerd. Appellante heeft er op gewezen dat zij een cursus heeft gevolgd bij het Radboud UMC waar zij heeft geleerd hoe zij moet handelen als [naam dochter] een epileptische aanval krijgt en dat zij hiervoor ook een protocol heeft ontvangen. Verder heeft appellante verwezen naar de brief van verpleegkundig specialist kinderneurologie E.T.A.M. Linders en kinderneuroloog J.H. Schieving van 25 februari 2019.
3.2.
De Svb heeft in hoger beroep een nader advies van de medisch adviseur van CIZ overgelegd, waarin is geconcludeerd dat geen noodzaak bestaat om de eerdere medische adviezen te wijzigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe.
4.2.
De rechtbank is met juistheid tot de conclusie gekomen dat de Svb de aanvraag om dubbele kinderbijslag terecht heeft afgewezen. In wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen steun gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. De medisch adviseur van CIZ heeft geconcludeerd dat het toedienen van noodmedicatie bij [naam dochter] in geval van een langere epileptische aanval niet kan worden aangemerkt als een specifieke verpleegkundige handeling als bedoeld in het Beoordelingskader. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen reden aan de juistheid van deze conclusie te twijfelen.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D.S. de Vries en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2020.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) F.E.M. Boon