ECLI:NL:CRVB:2020:2678
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting AOW-pensioen wegens niet-verzekerde periode en schuldig nalatig verklaring
Appellant kreeg een korting op zijn AOW-pensioen vanwege een periode waarin hij niet verzekerd was en vanwege schuldig nalatig verklaringen over de premiebetaling in de jaren 1989 tot 1992. Het bezwaar tegen deze schuldig nalatig verklaringen werd door de Sociale verzekeringsbank (Svb) terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaarperiode.
De rechtbank stelde vast dat appellant van 1992 tot 2011 niet verzekerd was voor de AOW, omdat hij niet als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd en geen in Nederland verrichte werkzaamheden had die tot verzekering leidden. Appellant voerde aan dat hij vanaf 2000 of 2002 in Nederland woonde en werkte, maar dit kon niet aannemelijk worden gemaakt, mede door tegenstrijdige verklaringen en gebrek aan objectieve bewijsstukken.
De Raad bevestigde dat appellant gedurende de betwiste periode was uitgeschreven uit de Nederlandse bevolkingsadministratie en dat hij in Brazilië een huis en bedrijf had. De aangeleverde documenten en getuigenverklaringen boden onvoldoende steun voor een duurzame persoonlijke band met Nederland of voor verzekerde arbeid in Nederland.
Daarom was de korting op het AOW-pensioen terecht toegepast en werd het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting op het AOW-pensioen en verklaart het bezwaar tegen schuldig nalatig verklaring niet-ontvankelijk.