ECLI:NL:CRVB:2020:2689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde kinderalimentatie
Appellante ontvangt sinds 2009 bijstand en heeft in de periode van 2012 tot en met 2015 kinderalimentatie ontvangen van haar ex-partner, zonder dit aan het college te melden. Het college stelde na onderzoek vast dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden en besloot de bijstand over die periode te herzien en terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het college de bewijslast draagt en dat niet in geschil is dat de alimentatie als inkomen moet worden aangemerkt. Appellante heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden of dat sprake is van een gerechtvaardigd vertrouwen dat de bijstand niet zou worden herzien.
Ook zijn er geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De omstandigheden die het college deden afzien van een boete en brutering zijn niet voldoende om terugvordering te voorkomen. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens niet gemelde kinderalimentatie en wijst het hoger beroep af.