ECLI:NL:CRVB:2020:2690
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en intrekking bijstand wegens niet-melden commerciële activiteiten en schending inlichtingenplicht
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Het college ontving een anonieme melding dat appellant in dadels handelde, waarna een onderzoek werd ingesteld. Dit onderzoek bracht aan het licht dat appellant huur betaalde voor een containerbox waarin handelsvoorraad dadels werd opgeslagen en dat hij een auto contant had betaald zonder duidelijke financieringsbron.
Het college beëindigde en trok de bijstand in vanwege schending van de inlichtingenplicht, omdat appellant niet had gemeld dat hij de huur van een containerbox voor een derde betaalde, noch dat hij commerciële activiteiten verrichtte als tussenpersoon. Appellant voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat hij onder druk was gezet, maar deze gronden werden verworpen.
De Raad oordeelde dat het college terecht aannam dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden in drie onderscheiden periodes, en dat daardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Appellant maakte niet aannemelijk dat hij recht op bijstand zou hebben gehad indien hij wel aan zijn plichten had voldaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en beëindiging van de bijstand bevestigd.