ECLI:NL:CRVB:2020:2692
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten en medisch matras bij verstandelijke beperking
Appellante, sinds 2012 Wajong-uitkeringsgerechtigde, vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten en de aanschaf van een bed vanwege slaapapneu en rugklachten. Het college wees de aanvraag af omdat de kosten niet voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden en er een voorliggende voorziening was via de Zorgverzekeringswet.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante de kosten had kunnen reserveren en dat haar persoonlijke omstandigheden onvoldoende waren om bijzondere bijstand toe te kennen. In hoger beroep stelde appellante dat het bed bedoeld was voor haar dochter en dat het college haar vanwege haar verstandelijke beperking anders had moeten behandelen, onder meer door nader onderzoek en advies van de GGD.
De Raad verwierp deze argumenten, oordeelde dat de aanvraag duidelijk voor haarzelf was en dat het college voldoende onderzoek had verricht. De kosten betroffen incidenteel voorkomende noodzakelijke kosten die uit het inkomen of via gespreide betaling voldaan moeten worden. Er waren geen bijzondere omstandigheden die bijzondere bijstand rechtvaardigen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.