ECLI:NL:CRVB:2020:2756
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek door UWV bevestigd
Appellante ontving vanaf april 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering, die in mei 2018 werd omgezet in een WGA-vervolguitkering. Het UWV stelde na medisch onderzoek en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 16 maart 2019.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd. De verzekeringsartsen hadden hun conclusies overtuigend gemotiveerd en er was geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst. Ook was er geen sprake van schending van het equality of arms-beginsel, ondanks het ontbreken van een contra-expertise.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onvolledig was en dat het UWV in strijd had gehandeld met het verbod van reformatio in peius. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat de gronden van appellante niet slagen. Er was geen noodzaak voor het benoemen van een deskundige en het UWV had voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering van appellante terecht is beëindigd na zorgvuldig medisch onderzoek.