ECLI:NL:CRVB:2020:2757
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek terugkomen op WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft sinds 1993 een aanvraag voor een WAO-uitkering lopen, die in 1994 is geweigerd wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Diverse verzoeken om terug te komen op dit besluit zijn afgewezen, omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd.
In 2017 vroeg appellant opnieuw om een WAO-uitkering, welke het UWV op grond van het ontbreken van nieuwe informatie afwees. Het bezwaar en beroep werden eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel, waarbij werd overwogen dat de Wet Amber niet van toepassing kon zijn op het oorspronkelijke besluit van 1994.
In hoger beroep stelde appellant dat hij recht heeft op een WAO-uitkering wegens ziekte en volledige arbeidsongeschiktheid. De Raad oordeelde dat het besluit uit 1994 in rechte vaststaat en dat appellant geen nieuwe feiten heeft aangevoerd die een heropening rechtvaardigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat er geen toename van arbeidsongeschiktheid is in de Amber-periode. Het verzoek om terug te komen op het besluit werd daarom terecht afgewezen.
De Raad constateerde een ondeugdelijke motivering in het bestreden besluit omtrent de Amber-bepaling, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe om dit gebrek te passeren omdat de uitkomst niet anders zou zijn geweest. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het betaalde griffierecht aan appellant werd vergoed.
Uitkomst: Verzoek om terug te komen op het besluit tot weigering van WAO-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.