ECLI:NL:CRVB:2020:2760
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als hulpmonteur, meldde zich in maart 2014 ziek en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Zowel bezwaar als beroep bij de rechtbank werden ongegrond verklaard. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn arbeidsongeschiktheid was toegenomen, onder meer door hielspoor en psychische klachten, en beroepen op het VN-Gehandicaptenverdrag en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte.
De Raad oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts terecht concludeerde dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen die voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak. De hielspoorklachten waren niet relevant voor de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd en werden niet medisch onderbouwd. Het beroep op het VN-Verdrag en de Wgbh/cz werd verworpen omdat deze niet van toepassing zijn op socialezekerheidsuitkeringen.
Een nieuw beroep op het ILO-Verdrag 121 werd buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.