ECLI:NL:CRVB:2020:2781
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellant was werkzaam als woningisoleerder en meldde zich ziek met rug- en bekkenklachten. Na diverse uitkeringsperiodes en medische beoordelingen weigerde het UWV een WIA-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Bij een ziekmelding in 2016 stelde het UWV vast dat appellant niet arbeidsongeschikt was voor passend werk en beëindigde de Ziektewetuitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om de medische bevindingen te betwisten. Appellant bracht geen tegenbewijs in dat de bevindingen van de verzekeringsartsen zou weerleggen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten en verzocht om een onafhankelijke deskundige, verwijzend naar het arrest Korošec. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek voldoende was, dat het beginsel van equality of arms was gewaarborgd en dat het financiële bezwaar van appellant niet tot benoeming van een deskundige leidde.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de procedure binnen vier jaar was afgerond. Er was geen aanleiding voor veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de Ziektewetuitkering terecht heeft beëindigd en wijst het verzoek om schadevergoeding af.