Uitspraak
19 1171 WIA
PROCESVERLOOP
21 oktober 2020. Daaraan hebben deelgenomen appellant en mr. Hofstra en namens het Uwv mr. A.I. Damsma.
OVERWEGINGEN
5 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1890).
Centrale Raad van Beroep
Appellant was tot 2014 werkzaam voor 40 uur per week en meldde zich in 2015 ziek vanwege een rugoperatie. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe en weigerde later een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank stelde vast dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsartsen de medische informatie juist hadden beoordeeld. Appellant werd niet als medische afzakker aangemerkt omdat hij geen objectieve medische noodzaak had om zijn uren te verminderen zonder zich ziek te melden.
Appellant voerde aan dat zijn medische beperkingen toenamen en dat zijn trainingsarbeid als revalidatie moest worden gezien, maar de Raad volgde het UWV en de rechtbank dat sporten gecombineerd kan worden met werken en dat er geen urenbeperking hoefde te worden aangenomen. De arbeidskundige beoordeling dat appellant geschikt is voor ten minste drie functies bleef overeind. De Raad wees het verzoek tot benoeming van een deskundige af en bevestigde het besluit van het UWV.
De proceskostenveroordeling van de rechtbank werd eveneens bevestigd. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 februari 2019 werd bevestigd, waarmee de weigering van de WIA-uitkering stand hield.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geen medische afzakker is.