ECLI:NL:CRVB:2020:2793
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek WAZ-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, voormalig meewerkend eigenaar/directeur van een uitgeverij, deed in 2005 een aanvraag voor een WAZ-uitkering wegens nek-, schouder- en rugklachten. Het UWV wees de aanvraag in 2006 af op grond van onvoldoende arbeidsongeschiktheid en het niet voldoen aan de wachttijd. Appellant maakte destijds geen bezwaar. In 2017 verzocht appellant om herziening van het besluit, met nieuwe medische informatie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd zoals vereist in artikel 4:6 van Pro de Awb. Appellant voerde in hoger beroep aan dat medische rapporten van neurologen en een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering een hogere mate van arbeidsongeschiktheid aantonen en dat hij destijds door detentie geen bezwaar kon maken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de medische informatie niet als nieuwe feiten kan worden aangemerkt omdat deze reeds bekend was of niet leidt tot een ander oordeel over de arbeidsongeschiktheid. Ook het bezwaar wegens detentie faalt omdat de stukken alsnog beoordeeld zijn. De Raad bevestigt dat het UWV het besluit zorgvuldig en gemotiveerd heeft genomen en dat de afwijzing niet evident onredelijk is. Het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het besluit tot afwijzing van de WAZ-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.