ECLI:NL:CRVB:2020:2914
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bekortingsverzoek wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen
Appellante, een werkgever, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland die het UWV in het gelijk stelde bij de afwijzing van haar bekortingsverzoek op grond van de Wet WIA. De zaak betreft een werknemer die uitviel wegens een neurologische aandoening en waarbij het UWV een loonsanctie oplegde vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de bedrijfsarts van appellante onvoldoende medische onderbouwing had gegeven voor de gestelde beperkingen van de werknemer. De verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen van het UWV concludeerden dat er wel benutbare mogelijkheden waren en dat de werkgever tekort was geschoten in haar re-integratieverplichtingen. Appellante kon niet aannemelijk maken dat zij deze tekortkomingen had hersteld.
Verder oordeelde de Raad dat de toekenning van een WIA-uitkering aan de werknemer niet betekent dat de loonsanctie onterecht is opgelegd, omdat deze besluiten op verschillende beoordelingsmaatstaven zijn gebaseerd. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van het bekortingsverzoek door het UWV bevestigd.