ECLI:NL:CRVB:2020:2997
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden in restaurant
Appellante ontvangt sinds 1999 bijstand en werd na een anonieme melding onderzocht wegens vermoedelijke zwartwerkzaamheden in een Indiaas restaurant. Het college stelde vast dat zij vanaf 2015 drie dagen per week vier uur per dag werkte zonder dit te melden, waardoor zij haar inlichtingenverplichting schond. Het college herzag de bijstand en vorderde €24.235,28 terug.
Appellante voerde aan dat zij niet had gewerkt en onder druk was gezet een verklaring te ondertekenen, maar dit werd door de klachtenfunctionaris en rechtbank verworpen. De rechtbank oordeelde dat de verklaring geldig was en het college terecht schattenderwijs het inkomen vaststelde op basis van het wettelijk minimumloon, niet het door appellante genoemde lagere uurloon.
In hoger beroep herhaalde appellante haar verweren, maar de Raad vond deze onvoldoende onderbouwd en bevestigde dat het college mocht uitgaan van een fictief inkomen. De Raad benadrukte dat het inkomen waarover iemand redelijkerwijs kan beschikken ook relevant is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.