ECLI:NL:CRVB:2020:3009
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een WIA-uitkering ontvangen wegens arbeidsongeschiktheid, vastgesteld op 80 tot 100%. Na een herbeoordeling door het UWV werd vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het UWV-besluit bevestigde.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn lichamelijke en psychische klachten, waaronder agorafobie, geheugenproblemen, duizeligheid en vermoeidheid, onvoldoende zijn meegenomen in de beoordeling. De Raad oordeelt dat de medische en arbeidskundige onderzoeken zorgvuldig en overtuigend zijn uitgevoerd en gemotiveerd. De beperkingen zijn adequaat vastgesteld en de voorgestelde functies zijn passend.
De Raad concludeert dat appellant onvoldoende medische gegevens heeft aangeleverd om het oordeel van het UWV te betwijfelen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, waarmee het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering rechtsgeldig blijft.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt bevestigd.