Appellante ontving bijstand sinds 2004 en werd door het dagelijks bestuur beschuldigd van het niet melden van een gezamenlijke huishouding met X, wat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand over 2007-2015. In een strafzaak werd zij voor de periode 2007-2014 vrijgesproken van het opzettelijk nalaten van melding, terwijl voor 2014-2015 wel sprake was van een schending.
De Raad oordeelt dat het bewijs voor de periode 2007-2014 onvoldoende is om de intrekking en terugvordering te rechtvaardigen, mede omdat het oordeel van het hof in de strafzaak bindend is en het dagelijks bestuur zich niet kan baseren op nieuwe gegevens die onvoldoende overtuigen. De Raad vernietigt daarom de bestreden besluiten voor die periode en herroept de eerdere besluiten.
Het dagelijks bestuur wordt opgedragen binnen vier weken een nieuwe beslissing te nemen over de terugvordering voor 2014-2015. Tevens veroordeelt de Raad het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante en bepaalt vergoeding van griffierechten. De uitspraak bevestigt het belang van het onschuldpresumptie en de grenzen aan bestuursrechtelijke herbeoordeling van strafrechtelijke uitspraken.