ECLI:NL:CRVB:2020:3023
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten kinderopvang wegens voorliggende voorziening
In deze zaak heeft appellante een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ter vergoeding van kosten voor kinderopvang. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees deze aanvraag af omdat er sprake is van een voorliggende voorziening, namelijk de kinderopvangtoeslag, die passend en toereikend wordt geacht.
Appellante betoogde dat zij geen recht heeft op kinderopvangtoeslag omdat haar echtgenoot in Marokko woont, waardoor de toeslag niet op haar situatie van toepassing is. De Raad verwijst naar artikel 1.6, derde lid, van de Wet kinderopvang, waarin is bepaald dat alleen ouders met een partner die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont, recht hebben op kinderopvangtoeslag. Deze beperking is een bewuste keuze van de wetgever.
De Raad concludeert dat de kosten van kinderopvang voor appellante als niet noodzakelijk moeten worden beschouwd en dat artikel 15 van Pro de Participatiewet (PW) aan bijstandverlening in de weg staat. Andere aangevoerde gronden behoeven daarom geen bespreking. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor kinderopvangkosten wordt bevestigd.