ECLI:NL:CRVB:2020:3027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-wonen op BRP-adres
Appellant stond sinds januari 2015 ingeschreven op een adres in de basisregistratie personen (BRP) en ontving studiefinanciering als uitwonende student. Op 16 februari 2016 voerden controleurs een huisbezoek uit om de woonsituatie te verifiëren. Uit het rapport bleek dat er geen persoonlijke eigendommen van appellant op het BRP-adres aanwezig waren, wat leidde tot herziening van de studiefinanciering en terugvordering van €2.666,14.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de minister voldoende bewijs had geleverd dat appellant niet op het BRP-adres woonde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte getuigenverklaringen en het ontbreken van studiematerialen op het adres niet voldoende had meegewogen, en dat de taalvaardigheid van zijn schoonzus verkeerd was beoordeeld.
De Raad oordeelde dat de minister met het huisbezoek aannemelijk had gemaakt dat appellant niet op het BRP-adres woonde. De verklaringen van appellant en zijn getuigen waren onvoldoende concreet en verifieerbaar om dit te weerleggen. Tevens speelde het wettelijk vermoeden van verblijf geen zelfstandige rol in de beoordeling. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van studiefinanciering bevestigd.