ECLI:NL:CRVB:2020:3050
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd, welke door het UWV per besluit van 20 september 2013 is afgewezen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Een herhaalde aanvraag in 2018 werd eveneens afgewezen, waarna appellante bezwaar maakte en beroep instelde tegen dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig en gemotiveerd had gehandeld.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat er sprake is van nieuwe feiten, waaronder de diagnose sclerodermie, die niet waren meegenomen bij de eerdere beoordeling. Zij bracht een rapport van een rechtbankdeskundige in, maar deze gaf geen aanwijzingen dat de beperkingen op de datum in geding anders waren dan vastgesteld. De Raad volgde de rechtbank en het UWV in hun oordeel dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn gebleken in de zin van artikel 4:6 Awb Pro.
De Raad wees ook het beroep op het Korošec-arrest af, omdat het niet aannemelijk was gemaakt dat er nieuwe feiten waren die het inschakelen van een onafhankelijke deskundige rechtvaardigen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot afwijzing van de WIA-uitkering wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.