ECLI:NL:CRVB:2020:3070
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering en weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende wachttijd en restverdiencapaciteit
Appellante was sinds 2014 werkzaam als apothekersassistente en administratief medewerker en ontving vanaf juli 2016 een Ziektewetuitkering wegens lichamelijke en psychische klachten na de bevalling. Het UWV stelde bij besluit vast dat zij vanaf 10 mei 2018 geen recht meer had op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Tevens werd vastgesteld dat zij de wachttijd van 104 weken voor een WIA-uitkering niet had voltooid.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV deugdelijke gronden bood voor de beëindiging van de ZW-uitkering en de weigering van de WIA-uitkering. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij meer beperkingen had en dat de maatmanomvang onjuist was gemaximeerd, maar kon dit niet onderbouwen met nieuwe medische gegevens.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank, bevestigde dat de combinatie van werkzaamheden van appellante als excessief moest worden aangemerkt en dat de maximering van de maatmanomvang op 50 uur per week terecht was. De restverdiencapaciteit van 65,55% werd als juist beoordeeld. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, werd dit gebrek gepasseerd omdat het besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Het hoger beroep werd afgewezen en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd per 10 mei 2018 en zij komt niet in aanmerking voor een WIA-uitkering wegens het niet voltooien van de wachttijd.