Uitspraak
19.4124 PW
24 september 2019, 19/260 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds 2013 bijstand en werd vanaf 1 juli 2015 geconfronteerd met de kostendelersnorm, die later onrechtmatig werd geoordeeld en herroepen door de Raad. Na een nabetaling van €4.992,78 verzocht appellant om vergoeding van materiële en immateriële schade, waaronder huurachterstand en emotionele schade.
Het college kende alleen wettelijke rente toe over de nabetaling en wees het overige schadeverzoek af. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees het verzoek om verdere schadevergoeding af, stellende dat de wettelijke rente de gefixeerde schadevergoeding is en dat immateriële schade onvoldoende was onderbouwd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en stelde dat bijstand vergelijkbaar is met loon, waarover een wettelijke verhoging geldt. De Raad verwierp dit, verwijzend naar het ontbreken van een arbeidsovereenkomst en het feit dat bijstand niet gelijk is aan loon. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding na onrechtmatige toepassing van de kostendelersnorm wordt afgewezen, behoudens toekenning van wettelijke rente.