ECLI:NL:CRVB:2019:2048
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afgewezen verzoek om immateriële schadevergoeding wegens niet tijdig beslissen op bijstandsaanvraag
Appellanten hebben op 17 juni 2015 bij het college een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Participatiewet. Het college besloot pas op 20 juni 2016, ruim na de redelijke termijn van acht weken, op deze aanvraag en kende bijstand toe over de periode van 17 juni 2015 tot en met 6 maart 2016. Appellanten maakten bezwaar tegen deze vertraging en verzochten om vergoeding van materiële en immateriële schade.
De rechtbank Gelderland wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af, een beslissing die appellanten in hoger beroep aanvochten. Zij stelden dat de trage besluitvorming een aantasting van hun persoonlijkheidsrechten vormde, met name het recht op bestaanszekerheid, en dat zij psychische schade hadden geleden zoals angst en frustratie.
De Raad oordeelde dat het college inderdaad niet tijdig had beslist, maar dat voor vergoeding van immateriële schade vereist is dat sprake is van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of andere persoonlijkheidsrechten. De niet tijdige uitbetaling van bijstand in dit geval was niet van dien aard dat het een dergelijke ernstige aantasting opleverde. Daarnaast ontbrak het causaal verband tussen de psychische klachten van appellant en de vertraging, mede omdat deze klachten volgens medisch dossier samenhingen met andere omstandigheden zoals faillissement en schulden.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens niet tijdig beslissen op de bijstandsaanvraag wordt afgewezen.