ECLI:NL:CRVB:2020:3097
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV en toekenning recht op ziekengeld wegens onvoldoende beoordeling belastbaarheid
Appellante, laatst werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met rugklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) dat zij vanaf 11 juli 2016 meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde het ziekengeld. De rechtbank onderschreef dit besluit, maar appellante ging in hoger beroep.
In hoger beroep werd een deskundige benoemd die concludeerde dat appellante op de datum in geding leed aan een posttraumatische stressstoornis met dissociatieve symptomen, waardoor zij niet inzetbaar was voor arbeid. De deskundige vond dat de FML onvoldoende rekening hield met haar psychische beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep volgde dit niet volledig, maar de Raad hechtte meer waarde aan het deskundigenrapport.
De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het UWV-besluit in stand hield en vernietigde het besluit van 14 oktober 2016 en herroept het besluit van 1 juni 2016. Het recht op ziekengeld loopt door vanaf 11 september 2016. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het recht op ziekengeld van appellante loopt door vanaf 11 september 2016; het UWV-besluit wordt vernietigd en herroepen.