Appellante ontving sinds 2003 een Wajong-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In 2017 stelde het UWV dat zij arbeidsvermogen had en verlaagde de uitkering van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellante maakte bezwaar en leverde medische rapporten aan die haar arbeidsongeschiktheid bevestigden, waaronder diagnoses als chronisch vermoeidheidssyndroom, (neuro)Lyme, POTS en PTSS.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond omdat appellante zich niet liet onderzoeken door een verzekeringsarts, waardoor persoonlijk contact ontbrak. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het dossier inmiddels voldoende medische informatie bevat om te concluderen dat appellante op 1 januari 2018 niet voldeed aan de voorwaarden om te werken, mede door haar fysieke en psychische klachten.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en het besluit van 28 juni 2017, en bepaalt dat de Wajong-uitkering onveranderd 75% van de grondslag bedraagt. Verzoeken tot vergoeding van immateriële schade en volledige kostenvergoeding van rechtsbijstand worden afgewezen, maar wettelijke rente over het niet-betaalde deel en een kostenvergoeding conform het forfaitaire stelsel worden toegewezen.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten en de kosten van deskundigen, met een totaalbedrag van €7.678,46, en vergoedt het betaalde griffierecht.