Betrokkene was sinds 1989 gehuwd en sinds 1993 gescheiden van tafel en bed. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag in 2017 het ouderdomspensioen van betrokkene van ongehuwd naar gehuwd, omdat uit onderzoek bleek dat betrokkene en haar echtgenoot niet duurzaam gescheiden leefden. Betrokkene stelde bezwaar en verzocht in 2019 om herziening terug naar een ongehuwd pensioen. De Svb wees dit verzoek af na nieuw onderzoek.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde in twee uitspraken dat betrokkene wel duurzaam gescheiden leefde en kende het ongehuwde pensioen toe met terugwerkende kracht. De Svb ging in hoger beroep tegen deze uitspraken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat uit de onderzoeksrapportages bleek dat betrokkene en haar echtgenoot tot 1 augustus 2017 niet duurzaam gescheiden leefden, omdat zij nog regelmatig contact hadden, samen activiteiten ondernamen en een gezamenlijke sociale kring deelden.
Voor de periode na 12 april 2019 was er wel sprake van duurzaam gescheiden leven, omdat het contact beperkt was tot het gezamenlijk oppassen op kleinkinderen en verder geen financiële of persoonlijke verwevenheid bestond. De Raad vernietigde daarom de eerste uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het eerste bestreden besluit ongegrond, maar bevestigde de tweede uitspraak en veroordeelde de Svb in de proceskosten.